top of page

Plezier of beter worden? Voor kinderen is dat misschien helemaal geen tegenstelling



Een kind probeert een lay-up. Mis. Nog een keer. Weer mis. De derde bal raakt alleen het bord. Bij de vierde klopt de timing eindelijk en valt de bal door de ring. “Ja!” Was alleen die vierde poging leuk? Als we over kinderen en sport praten, valt één woord opvallend vaak: sportplezier. Terecht. Plezier speelt een belangrijke rol in de motivatie van kinderen om te sporten en om ermee door te gaan. Ook in Nederland staat het daarom centraal in veel beleid rond jeugdsport.

Maar daarmee weten we nog niet wat kinderen zelf eigenlijk onder plezier verstaan. Want volwassenen maken soms tegenstellingen die voor kinderen helemaal niet zo duidelijk hoeven te bestaan. Plezier óf beter worden. Spelen óf serieus trainen. Een leuke training óf een moeilijke training. Onderzoek laat een interessanter beeld zien.


Plezier blijkt verrassend veel gezichten te hebben

Sportwetenschapper Amanda Visek en haar collega's onderzochten wat jonge sporters daadwerkelijk leuk vinden aan sport. Jonge voetballers, ouders en coaches mochten zelf benoemen wat volgens hen bijdroeg aan plezier. Dat leverde geen handvol antwoorden op, maar 81 verschillende factoren. Natuurlijk stonden daar dingen tussen als spelen met teamgenoten en wedstrijden spelen. Maar ook leren en verbeteren, hard werken, je best doen en positieve coaching bleken onderdeel van plezier.

Bij de jonge spelers behoorden trying hard, een positieve sfeer binnen het team en positieve coaching zelfs tot de belangrijkste categorieën. Winnen stond aanzienlijk lager. Dat betekent niet dat kinderen niet willen winnen. Zet twee teams tegenover elkaar, houd de score bij en je ziet vaak snel genoeg hoe belangrijk die wedstrijd kan worden.

Het betekent vooral dat plezier veel groter is dan de uitslag. Een kind kan verliezen en toch trots zijn op hoe het heeft gespeeld. Een oefening kan frustrerend beginnen en fantastisch eindigen wanneer iets eindelijk lukt. Een speler kan bloedfanatiek een duel willen winnen en vijf minuten later lachen met dezelfde tegenstander.


Maar niet ieder kind staat te wachten op een uitdaging

Daar zit een belangrijke nuance. Het kind uit het begin van dit verhaal wil die lay-up leren. Maar niet ieder kind komt een gymzaal binnen met dezelfde motivatie. Zeker op school kan de ene leerling vier keer per week sporten, terwijl een ander al lang heeft besloten: sport is gewoon niet mijn ding.

De één vindt competitie geweldig. De ander haakt juist af zodra iedereen kijkt. Een kind dat niets met basketbal heeft, kan ineens enthousiast worden van flag football, atletiek, dans of een sport die het nog nooit heeft geprobeerd. Dat is relevant, omdat Nederlands onderzoek onder kinderen van 9 tot 12 jaar eveneens verbanden laat zien tussen motivatie voor bewegingsonderwijs en psychologische basisbehoeften zoals competentie, autonomie en verbondenheid.

Simpel gezegd: hoe een kind zichzelf binnen een sportomgeving ervaart, doet ertoe. Daarom is “meer uitdaging” geen universeel recept voor sportplezier. Soms begint een goede sportervaring ergens anders: durven meedoen, ontdekken dat je iets wél kunt, een activiteit tegenkomen die bij je past of voor het eerst niet het gevoel hebben dat alle anderen al beter zijn.


Moeilijk kan wél onderdeel van plezier worden

Voor kinderen die eenmaal betrokken zijn, kan uitdaging juist veel toevoegen. Iets dat onmogelijk voelt, kan ontmoedigen. Iets dat altijd lukt, kan gaan vervelen. Daartussen ligt een gebied waarin een kind probeert, mist, aanpast en uiteindelijk merkt: hé, ik kan dit. Dat vierde schot voelt juist zo goed omdat de eerste drie niet vielen.

Ook het Internationaal Olympisch Comité plaatst uitdaging en plezier niet tegenover elkaar. In zijn consensus over de ontwikkeling van jonge sporters wordt juist gepleit voor een omgeving die zowel challenging als enjoyable is: uitdagend én plezierig. De moeilijkheid zit in dat ene woord: passend. Want wat voor de ene speler precies genoeg uitdaging is, kan voor een andere speler te moeilijk zijn en voor een derde veel te eenvoudig.


Daarom doet de coach ertoe

Geef twee kinderen dezelfde oefening en na drie mislukte pogingen kan de één denken: nog één keer. De ander denkt: zie je wel, ik kan dit niet. Goede coaching begint bij het zien van dat verschil. Wanneer help je? Wanneer maak je iets eenvoudiger? Wanneer voeg je juist een extra uitdaging toe? Wanneer geef je feedback? En wanneer laat je een kind even zelf zoeken?

Onderzoek naar het zogenoemde motivational climate in de jeugdsport wijst al langer op het belang van omgevingen waarin leren, inspanning, competentie en ontwikkeling aandacht krijgen. Dat betekent niet dat iedere training individueel maatwerk kan zijn of dat competitie moet verdwijnen. Kinderen mogen willen winnen. Ze mogen balen als ze verliezen. Ze mogen beter willen worden.

Maar ze mogen sport ook leuk vinden zonder ooit de beste van de groep te willen worden.


Misschien kunnen we een betere vraag stellen

Na een training vragen ouders vaak: “Was het leuk?” Niets mis mee. Maar misschien kunnen we soms verder vragen. Wat vond je vandaag het leukste? Was er iets wat ineens beter lukte? Wat was moeilijk? Was er iets wat je juist helemaal niet leuk vond? Wat zou je nog eens willen doen? De antwoorden hoeven niet hetzelfde te zijn.

Misschien is dat wel het belangrijkste wat onderzoek naar sportplezier ons leert. Kinderen beleven sport niet allemaal op dezelfde manier. Voor de één zit het plezier in winnen. Voor een ander in vrienden. In iets nieuws ontdekken. In eindelijk die beweging beheersen. In keihard gaan. In een spel. In competitie. Of simpelweg in voor het eerst ervaren: hé, misschien kan ik dit toch.

Een goede sportomgeving probeert kinderen daarom niet allemaal op dezelfde manier plezier te laten hebben. Ze geeft ze de kans om te ontdekken waar hun plezier in sport kan beginnen.

Opmerkingen


bottom of page