top of page

Wat als een kind zijn sport gewoon nog niet heeft ontmoet?



Kinderen vormen al vroeg een beeld van zichzelf als sporter. Maar dat beeld ontstaat uit de sporten en manieren van bewegen die ze daadwerkelijk hebben ervaren. Een onverwachte kennismaking op school kan daar een nieuw hoofdstuk aan toevoegen.

Er ligt ineens een American football in de gymzaal. Voor sommige kinderen is het de eerste keer dat ze er één vasthouden. De vorm is vreemd. Gooien werkt anders dan met een gewone bal. De regels zijn nieuw. Bij basketball ontstaat weer een ander probleem: de bal moet omhoog door een ring, ruimte werkt anders en samenwerken krijgt een ander ritme.

Voor het ene kind is het gewoon een nieuwe gymles. Voor het andere blijkt iets onbekends verrassend goed te passen. TNS-coach Rakran Mateen merkte tijdens schoolprogramma’s met basketball en flag football hoe positief scholen soms op die afwisseling reageerden. Medewerkers van enkele scholen vertelden hem dat kinderen in hun omgeving lange tijd vooral met voetbal in aanraking waren gekomen en dat een andere sport welkom was.

In een andere gymzaal kan die nieuwe ontmoeting net zo goed klimmen, dans, badminton, judo, atletiek of een andere spelvorm zijn. De specifieke sport is niet het belangrijkste punt. Interessanter is wat er gebeurt wanneer een kind een manier van bewegen tegenkomt waarmee het zichzelf nog nooit heeft beoordeeld.


Veel jongeren weten nog niet welke sport bij hen past

Sportkeuze klinkt eenvoudig, maar voor veel jongeren is dat helemaal niet zo. In onderzoek uit 2025 in opdracht van NOC*NSF onder ruim 3.800 Nederlandse jongeren van 13 tot 18 jaar gaf ruim 65 procent aan te twijfelen over het kiezen van een sport. Het onderzoek wijst daarnaast op leeftijden waarop jongeren relatief openstaan voor het ontdekken van iets nieuws: tussen 5 en 10 jaar en opnieuw tussen 13 en 15 jaar.

Een sportvoorkeur ligt dus niet voor iedereen al vroeg vast. Dat sluit goed aan bij de gedachte achter het Nederlandse bewegingsonderwijs. SLO beschrijft dat kinderen in het primair onderwijs een breed bewegingsrepertoire moeten ontwikkelen. Ze maken kennis met uiteenlopende vormen van bewegen en spel en kunnen zich vanuit die ervaringen ook oriënteren op de sport- en bewegingscultuur buiten school.

De waarde van variatie zit daarmee niet alleen in motorisch leren. Kinderen verzamelen ook ervaringen waarmee ze een veel persoonlijkere vraag kunnen beantwoorden: wat vind ik eigenlijk leuk om te doen?


Variatie kan iets zichtbaar maken

Een Amerikaanse studie op basis van een landelijk onderzoek onder middelbare scholieren vond dat jongeren die aan meer verschillende fysieke activiteiten deelnamen gemiddeld ook meer plezier in bewegen rapporteerden en actiever waren. Voor de analyse naar het aantal activiteiten werden gegevens van 7.842 jongeren gebruikt.

Het onderzoek was observationeel en bewijst daarom niet dat meer variatie automatisch meer plezier veroorzaakt. De onderzoekers wijzen wel op een praktisch relevante mogelijkheid: verschillende activiteiten ervaren vergroot de kans dat jongeren iets tegenkomen wat ze daadwerkelijk graag doen.

Een systematische review uit 2023 vond in 28 studies een vergelijkbaar patroon. Variatie hing samen met uitkomsten als motivatie, interesse, plezier, betrokkenheid en deelname aan bewegen. De auteurs benadrukken tegelijkertijd dat er meer experimenteel onderzoek nodig is om precies vast te stellen hoe die verbanden werken.

Toch lijkt plezier maar een deel van het verhaal. Minstens zo interessant is het gevoel: ik kan dit.


Wanneer ‘ik ben hier niet goed in’ ineens minder zeker wordt

Kinderen vergelijken zichzelf voortdurend met eerdere ervaringen, klasgenoten en teamgenoten. Zo ontstaat langzaam een sportief zelfbeeld: ik ben snel, ik kan goed met een bal omgaan, gym is niets voor mij, sport past bij mij — of juist niet.

Onderzoek naar ervaren lichamelijke competentie laat zien dat zo’n zelfbeeld ertoe doet. Een Fins longitudinaal onderzoek volgde 333 jongeren gedurende zes jaar. Hoe competent zij zichzelf rond hun twaalfde vonden in bewegen, voorspelde hoeveel matige en intensieve fysieke activiteit zij zes jaar later rapporteerden.

Een andere longitudinale studie onder 1.364 kinderen keek naar plezier in bewegen en sportzelfbeeld. Meer plezier in Grade 5 hing een jaar later samen met een positiever sportzelfbeeld, meer gerapporteerde fysieke activiteit en opnieuw meer plezier. Opvallend was dat de hoeveelheid matig-tot-intensief bewegen tijdens de gymles zelf die latere uitkomsten niet voorspelde.


Daar zit een belangrijk onderscheid in. Een les kan een kind laten bewegen. Een ervaring kan ook iets veranderen in wat een kind over zichzelf denkt. Een kind dat zichzelf vooral kent uit voetbal, hardlopen of bekende gymactiviteiten krijgt bij basketball, flag football, klimmen, dans, badminton of judo ineens andere problemen om op te lossen. Andere vaardigheden worden belangrijk. Andere regels gelden. Een eerdere conclusie over ‘goed zijn in sport’ hoeft daardoor niet één op één mee te verhuizen.


Een nieuwe sport is geen automatische reset

Daar hoort wel een grens bij. Als bijna niemand in een klas een bepaalde sport kent, verdwijnen bestaande verschillen niet ineens. Motorische ervaring uit andere sporten kan voordeel geven. Zelfvertrouwen reist mee. En de manier waarop een activiteit wordt begeleid blijft belangrijk. Er is geen stevig bewijs dat een onbekende sport automatisch bestaande sociale of sportieve hiërarchieën in een klas uitwist. Dat beeld is aantrekkelijk, maar te stellig.

De bredere onderzoeksrichting is beter onderbouwd. Gevarieerde, inclusieve en ontwikkelingsgerichte bewegingsomgevingen bieden kinderen verschillende contexten om vaardigheid, vertrouwen en plezier te ervaren. UNESCO noemt variatie en inclusie expliciet als kenmerken van kwalitatief bewegingsonderwijs en koppelt goed bewegingsonderwijs aan de ontwikkeling van fysieke competentie, vertrouwen en langdurige betrokkenheid bij bewegen.

Daarvoor hoeft een kennismaking geen wondermiddel te zijn. Niet ieder kind hoeft na één basketballes basketballer te worden. Een ervaring heeft ook waarde wanneer een kind ontdekt dat zijn eerdere beeld van sport niet volledig was.


School bereikt ook het kind dat nergens lid is

Juist daar heeft school een bijzondere positie. Vrijwel ieder kind komt er, ook het kind dat niet vanzelf de weg naar een sportvereniging vindt. Een Vlaamse studie onder 1.049 kinderen van 30 basisscholen keek naar vrijwillige buitenschoolse sportactiviteiten die via school werden georganiseerd. Van de kinderen die niet deelnamen aan georganiseerde sport buiten school, deed 65 procent wél mee aan sport die via school werd aangeboden.

De studie was cross-sectioneel en zegt niet of die kinderen daarna jarenlang bleven sporten. Ze laat wel zien dat de schoolomgeving sport kan brengen naar kinderen die daar buiten school niet al actief aan deelnemen. Dat is geen pleidooi om van scholen sportverenigingen te maken. Het Nederlandse bewegingsonderwijs heeft een veel bredere opdracht. Juist daardoor kan school iets doen wat een club minder gemakkelijk kan: een kind laten kennismaken zonder dat het vooraf al hoeft te weten welke sport het wil kiezen.

Een school hoeft niet te voorspellen welk kind later basketballer, voetballer, danser, klimmer, judoka of atleet wordt. Het kan wel genoeg verschillende deuren openen om kinderen te laten ontdekken dat sport groter is dan de ervaringen die ze tot dan toe hadden. ‘Ik ben niet sportief’ klinkt als een conclusie. Soms is het vooral een conclusie op basis van een nog klein aantal ervaringen. Een andere bal, een onbekend spel of een nieuwe manier van bewegen kan de vraag veranderen:

Niet: ben ik sportief? Maar: welke sport past bij mij?


Bronnen

Onderstaande bronnen zijn gebruikt voor de feitelijke en wetenschappelijke onderbouwing van dit artikel.

• SLO (2023). Karakteristiek – bewegingsonderwijs. Link — https://www.slo.nl/thema/meer/tule/bewegingsonderwijs/karakteristiek/

• NOC*NSF (2025). Sportbehoeften jongeren 13–18 jaar. Link — https://www.nocnsf.nl/sportbonden/breedtesport/sportbehoeften-jongeren-13-18-jaar

• Michael, S. L., Coffield, E., Lee, S. M. & Fulton, J. E. (2016). Variety, Enjoyment, and Physical Activity Participation Among High School Students. Journal of Physical Activity and Health, 13(2), 223–230. Link — https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/26107142/

• Eather, N., McLachlan, E., Sylvester, B., Beauchamp, M., Sanctuary, C. & Lubans, D. (2023). The Provision and Experience of Variety in Physical Activity Settings: A Systematic Review of Quantitative and Qualitative Studies. Journal of Sport & Exercise Psychology, 45(3), 148–165. Link — https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/37169353/

• Jaakkola, T., Yli-Piipari, S., Watt, A. & Liukkonen, J. (2016). Perceived physical competence towards physical activity, and motivation and enjoyment in physical education as longitudinal predictors of adolescents’ self-reported physical activity. Journal of Science and Medicine in Sport, 19(9), 750–754. Link — https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/26671711/

• Ramer, J. D., Houser, N. E., Duncan, R. J. & Bustamante, E. E. (2021). Enjoyment of Physical Activity—Not MVPA during Physical Education—Predicts Future MVPA Participation and Sport Self-Concept. Sports, 9(9), 128. Link — https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/34564333/

• De Meester, A., Aelterman, N., Cardon, G., De Bourdeaudhuij, I. & Haerens, L. (2014). Extracurricular school-based sports as a motivating vehicle for sports participation in youth: a cross-sectional study. International Journal of Behavioral Nutrition and Physical Activity, 11, 48. Link — https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/24708585/

• UNESCO (2015). Quality Physical Education (QPE): Guidelines for Policy-Makers. Link — https://unesdoc.unesco.org/ark:/48223/pf0000231101

Opmerkingen


bottom of page